geene blijdschap, niets dan wilde, angstige ontroering in „Ida, o God, wat gebeurt me, wat wil je, waarom zie je mij zoo aan? Wat meen je met die oogen, die niet hard en niet boos meer zijn? Moet ik begrijpen, mag ik.... o, als je me nu bedriegt dan ben je wreeder dan ik ooit voor je ben geweest.… … Hij viel op zijne knieën . . . . Hij viel op zijne knieën en boog zijn hoofd over de handen, die hij nu beiden in de zijnen gegrepen had. Ida voelde zijne brandende tranen en zij begreep nu pas hoeveel ook hij geleden had, nu zij de woeste, bijna pijn- lijke verrukking zag, waardoor hij bij het…
Art · Dutch literature
Internet Archive · Getty Research Institute · Public domain (published before 1931). Free to use for anything.